oudst beschreven geschiedenis
La Vicaria
emigratie
enkele historische monumenten

 

 

oudst beschreven geschiedenis

castelloBenabbio wordt in 983 voor het eerst genoemd in een geschreven tekst. Het heette toen Menabia, werd daarna Menabbio en vervolgens Benabbio. 

 Het dorp was in bezit van de familie Lupari, waarvan de belangrijkste persoon Lupo was. Deze Lupo Lupari bezat een kasteel, op de bergtop boven het dorp, waarvan hij de gehele vallei van La Lima kon overzien. Lupo had contacten met belangrijke families uit Lucca, zoals de hertog van Lucca, Castruccio Castracani (1234-1328), en om zijn eigen bezittingen te beschermen, kwam hij een verdedigingspact met Castracani overeen. Vanuit zijn castello kon hij de omgeving bewaken en Lucca helpen beschermen tegen een eventuele vijandelijk aanval. Toen in 1334 de oorlog tussen Firenze en Lucca uitbrak, werd Lupo gevraagd al zijn manschappen in te zetten, maar Lupo stuurde slechts een deel van zijn mannen en stond toe dat de Fiorentini Lucca konden belagen. Toch won Lucca en na deze overwinning, stuurde Castracani manschappen om de verrader Lupo te verdrijven. Dat betekende het einde van de familie Lupari als heerser over Benabbio. 

 

La Vicaria

 Na de verdwijning van Lupo Lupari, behoorde Benabbio tot de Vicaria van de Val di Lima. De Vicaria was een bestuurscommissie dat onder de vlag van de republiek Lucca een territorium bestuurde. Dit bestuursorgaan stond onder leiding van een afgezant uit Lucca en bestond uit afgevaardigden uit de verschillende dorpen. Benabbio was enige tijd zetel van dit bestuursorgaan. In deze periode werden er belangrijke overeenkomsten in Benabbio getekend, waaronder die over de teruggave van land van Firenze aan Lucca op 28 maart 1442. 

De dorpen in de Vicaria verplichtten zich tot het leveren van manschappen om de republiek te beschermen en hun 'castelli' op strategische punten op de bergtoppen deden dienst als verdedigingsburcht. De Benabbini worden beschreven als moedige soldaten. Zo trokken zij voor de Vicaria ten strijde tegen de Turken en onderscheidden zij zich gedurende de oorlogen tegen Modena (1602-1613); in 1798 bij de inval van de Fransen, rebelleerden de Benabbini tegen de bezetters en dwongen zij de Fransen zelfs het dorp weer te verlaten. 

De geschiedenis van de Vicaria volgt die van de republiek Lucca. De stadstaat wist onafhankelijk te blijven van Toscana en van vreemde overheersing tot de Franse revolutie. In 1799 kwam de stad onder Frans bewind. Lucca, met het omringende land, werd in 1805 een klein onafhankelijk vorstendom door toedoen van de Franse keizer Napoleon, die er zijn zus, Elisa, als prinses van Lucca, op de troon zette. Het Congres van Wenen in 1814 plaatste Lucca onder het bewind van de Bourbons van het hertogdom Parma. Lucca werd op 5 oktober 1847 door de laatste hertog, Karel Lodewijk van Bourbon-Parma, afgestaan aan het Groothertogdom Toscana.In 1861 werd het een deel van het  koninkrijk Italië.

 

emigratie

Ten tijde van de Vicaria had Benabbio verreweg de meeste inwoners van het gebied.. Uit de archieven blijkt dat Benabbio in 1566 1600 zielen telt, terwijl Bagmi di Lucca 569 inwoners had. Nu telt Benabbio nog zo'n 500 inwoners, en is Bagni di Lucca meet zo'n 2500 inwoners het centrum van de vallei. Frank Bovenkerk beschrijft in zijn boek 'IJscomannen en Schoorsteenvegers' hoe emigratie een belangrijke oorzaak  was van de leegloop van de bergdorpen rond Bagni di Lucca: in de zomer en herfst leefden de bewoners vooral van wat het land hen opleverde: kastanjes, waarvan ze kastanjemeel maakten en olijf- en wijngaarden. Om buiten het seizoen bij te verdienen trokken velen in de winter naar elders als seizoenarbeider of als beeldenverkoper. In de achttiende en de negentiende eeuw was het ambacht van 'figurinai' (makers van gipsen heiligenbeeldjes) een van de belangrijkste bestaansbronnen geworden en met beeldjes in rugzakken, trokken de dorpelingen erop uit om deze in de wijde omgeving af te zetten. 

Deze traditie van seizoensmigratie was de basis voor een echte emigratiegolf, begin vorige eeuw. Veel ambachtslieden uit de dorpen rond de Val di Lima vertrokken naar Noord- en Zuid Amerika of Noord Europa om daar hun geluk als beeldenmaker te beproeven. Het grapje gaat dat toen Columbus Amerika ontdekte, hij verwelkomt werd door een Lucchese die hem gipsen beeldjes aanbood. Later gingen veel van die emigranten over op het verkopen van Italiaans ijs. Velen wisten het te maken in het buitenland en bouwden daar een nieuw leven op. Op oudere leeftijd keerden zij toch graag weer terug naar hun dorp om van hun oude dag te genieten. Dat maakt dat veel Benabbini banden hebben met het buitenland en veel 'buitenlandse' nazaten banden met Benabbio. 

 

enkele historische monumenten 

 

sanmicheleil castello

Van veel verdedigingsburchten in de omliggende dorpen zijn de ruïnes bewaard gebleven. Zo ook de burcht van Lupo Lupari, in Benabbio 'Castello' genaamd. Je kunt het bezoeken via een wandelpad. Op de top van de berg vind je de restanten van de burcht en de kerk San Michele, gebouwd in 1218, de oudste kerk van het dorp. Op de muur van deze kerk is een herinneringsplaquette bevestigd, ter nagedachtenis aan de 46 slachtoffers van de cholera-epidemie in 1855. In 2007 zal een team van wetenschappers van de universiteit van Pisa starten met opgravingen en onderzoek naar de ruïnes en de begraafplaats van 'Castello'. Dit onderzoek zal enige jaren in beslag nemen.

 

tavola

 

la chiesa

Op het centrale dorpsplein vind je de kerk Santa Maria Assunta, gebouwd in 1338 en in de loop van de eeuwen menig keer opgeknapt. Het  is van Romaanse oorsprong met drie hoofdruimtes. Het middenschip wordt afgebakend door bewerkte zuilen en in het interieur bevindt zich een drieluik uit de vijftiende eeuw en een doopvond uit 1564. Naast deze hoofdkerk vind je in het dorp verschillende kapellen, die soms, bij speciale feestdagen, in gebruik genomen worden.

 

capannale capanne en il mulino

Het maken van kastanjemeel was een belangrijke bron van inkomsten. In de bossen rond Benabbio vind je veel zogenaamde 'capanne' (stenen hutten), waarin vroeger, maar soms ook nu nog, de geplukte kastanjes traditioneel worden gedroogd; de kastanjes worden op een plateau geplaatst, terwijl op de stenen vloer in een rooster hout wordt gesmeuld zodat ze langzaam kunnen drogen. Als de kastanjes droog zijn, zijn ze klaar voor verdere bewerking. Vroeger werden ze naar 'il mulino' gebracht, een watermolen, waarin de kastanjes tot meel worden vermalen. 

 Veel van de capanne worden nu door de eigenaren opgeknapt om dienst te doen al picknickverblijf. Hele families brengen er dan zomers hun zondagmiddag door om lekker te eten en  'per stare al fresco' (om in de koelte te zijn).